Reïncarnatietherapie

bij patiënten met het syndroom Gilles de La Tourette.

Samenvatting


Naar aanleiding van advertenties en artikelen in enkele kranten- en tijdschriften hebben 21 personen, die voldeden aan de diagnostische criteria van het syndroom Gilles de la Tourette (GTS), zich gemeld voor een onderzoek naar de effecten van reïncarnatietherapie (RT) bij patiënten met dit syndroom.

Aanmelding geschiedde door het invullen van een verzoek tot deelname, een lijst met persoonsgegevens en twee vragenlijsten.

De Inventarislijst Dagelijkse Bezigheden (IDB) is bedoeld

om de mate van de vaak met GTS geassocieerde dwangverschijnselen vast te stellen.

De GTS-symptoomlijst vraagt naar de frequentie van motorische en vocale tics en de sociale gevolgen van het syndroom voor GTS-patiënten.

De beide vragenlijsten zijn samengevoegd.


Van de 21 voor dit onderzoek aangemelde cliënten, waaronder 10 mannen, 4 vrouwen en 7 kinderen (jongens van 9 tot 15 jaar), hebben zich vier om uiteenlopende redenen voor het begin van de behandeling teruggetrokken

en zijn 17 in therapie gegaan bij beroepsleden van de Nederlandse Vereniging van Reïncarnatietherapeuten (NVRT) in een van de periodes april/juli (therapiegroep)

of september/december 1995 (controle- of wachtlijstgroep).

Over de bij de nameting (augustus 1995) geconstateerde verschillen tussen de beide groepen is eerder gerapporteerd (Van der Maesen, 1995b).


Van de 17 cliënten die in therapie zijn gegaan, hebben 6 (35%) deze voortijdig,

en wel na 1 tot 7 sessies, afgebroken.

Bij twee van hen was het motief van financiële aard (eigen bijdrage en reiskosten) en bij een derde de door cliënt ervaren psychische belasting.

Een cliënt brak af op aandringen van een der ouders, een ander omdat er verschil van inzicht bleek over de juistheid van de GTS- diagnose en de zesde zag niet snel genoeg resultaat.


Aan 11 cliënten (4 mannen, 1 vrouw en 6 jongens), die naar het gezamenlijk oordeel van therapeut en cliënt de therapie hadden voltooid, of het in het protocol genoemd maximum aantal sessies van 12 hadden bereikt, werden na afloop van de therapie voor de tweede maal de IDB en de GTS- symptoomlijst voorgelegd.

Bovendien werd aan deze cliënten gevraagd om een oordeel te geven over het therapieresultaat en een waarderingscijfer toe te kennen voor de kwaliteit van RT.

Tevens werd hen een satisfactie-vragenlijst voorgelegd, naar het model van een onderzoek uit 1991 onder 'Cliënten van de RIAGG'.

Ook aan een 'belangrijke andere' in het leven van de cliënt werd een oordeel gevraagd over het therapieresultaat, met name terzake van eventuele ticreductie.


De vergelijking van de gemiddelde scores op de IDB voor en na de therapie laten een daling zien van 77,8 naar 66,7 bij genoemde 11 cliënten. De individuele scores geven aan dat bij 9 cliënten (82%) de dwangverschijnselen zijn afgenomen.

Op de GTS-symptoomlijst daalde de gemiddelde score van 19 naar 13 en was er bij 10 cliënten (91%) sprake van enige tot aanzienlijke verbetering in de scores

bij de vergelijking voor en na de therapie.


Op de vragenlijst 'oordeel over het therapieresultaat' kon door cliënt eventuele wijziging in ticfrequentie worden aangegeven. 

Bij 8 cliënten (73%) is er sprake van een vermindering van motorische tics.

Van hen zeggen 5 cliënten geheel of grotendeels van hun tics verlost te zijn. De gemiddelde ticreductie (motorische tics) van 8 genoemde cliënten bedraagt 55%.

Ook terzake van vocale tics melden 8 cliënten (73%) ticreductie; van hen zeggen vier geheel of grotendeels van de tics verlost te zijn.

De gemiddelde ticreductie van genoemde 8 cliënten bedraagt 66% (vocale tics).  Van de vier cliënten die geen ticreductie melden geven twee aan dat de therapie een andere betekenis voor hen heeft gehad en wel een vermindering van agressief en dwangmatig gedrag.

Het oordeel van de 'belangrijke andere' terzake van ticreductie verschilt weinig met dat van de cliënt.


Alle cliënten voldeden aan het verzoek om een waarderingscijfer voor de kwaliteit van RT toe te kennen.

Vier cliënten gaven het cijfer 8, een maal 8½, twee maal 9 en vier maal 10, zodat het gemiddelde cijfer uitkomt op het cijfer 9.


De scores op de satisfactielijst zijn gunstiger dan in het RIAGG-onderzoek.


Het feit dat van de 11 cliënten die de therapie voltooiden bijna de helft beweert geheel of grotendeels van de motorische en vocale tics verlost te zijn,

terwijl sommigen al 25 tot 35 jaar door hun tics gehinderd worden,

mag als een positieve onderzoeksuitkomst getypeerd worden, te meer omdat hier sprake is van een 'usually lifelong syndrome' (APA, 1994).

De door de cliënten gemelde effecten op de kernsymptomen en geassocieerde verschijnselen, alsmede de hoge satisfactie- en waarderingscijfers rechtvaardigen bijzondere belangstelling voor reïncarnatietherapie van GTS- patiënten en haar patiëntenbelangenvereniging in het bijzonder en van de geestelijke gezondheidszorg in het algemeen.


Amstelveen, maart 1996, Ronald van der Maesen



© 1993-2009 Nederlandse Vereniging van Reïncarnatietherapeuten